Wijkbeleving in Amsterdam Noord

Wijkbeleving in Amsterdam Noord

Informatie uit het artikel mag worden gebruikt met een correcte verwijzing naar het artikel en de auteurs.

Auteurs:

Roos Gerritsma

Els Reijnen

Jacques Vork

info: Roos.Gerritsma@inholland.nl

Binnen het Urban Leisure & Tourism Lab van de Hogeschool Inholland staat het “lokaal weten” centraal alvorens we samen met netwerkpartners, studenten en docenten aan lokale waardecreatie kunnen gaan doen.

We vinden het van belang om binnen het living lab te weten wat er speelt in onze omgeving en welke complexe vraagstukken daarbij horen. In het voorjaar van 2018 raakten wij in gesprek met woningbouwvereniging Ymere die voor de uitdaging staat om nieuwbouwappartementen te gaan bouwen voor een groep bewoners die veelal al jarenlang woonachtig zijn in Tuindorp Oostzaan. Een wijk in Noord waar, net als in de rest van Noord overigens, de sociaaleconomische en culturele ontwikkelingen elkaar snel opvolgen. We stelden ons vragen als: hoe bouw je aan een gezamenlijke duurzame en sociale toekomst? Welke waarden en normen zijn daarbij van belang voor de bewoners? Hoe kun je bijdragen aan het creeren van betekenisvolle (ontmoetings)plekken?

In navolging van het onderzoek naar de productie en impactmeting van het Ware Noorden op de Ceuvel (Field Lab Amsterdam Noord, 2017-2018) is er aanvullend onderzoek gedaan naar de wijkbeleving in Amsterdam Noord voor onze netwerkpartner woningbouwvereniging Ymere. Zowel literatuuronderzoek als resultaten van het eerdere onderzoek als van het aanvullende onderzoek zijn in onderstaande tekst verwerkt.

1. Het creëren van een sociale en duurzame gemeenschap in Noord

In het stadsdeel Amsterdam Noord wonen inmiddels bijna 92.000 mensen en dit aantal zal in rap tempo toenemen komende jaren. De stad Amsterdam, groeit met bijna 1000 nieuwe bewoners per maand, niet voor niets dat er dringend nieuwe woningen worden bijgebouwd, zie afbeelding 1.

Afbeelding 1. Wijkontwikkeling in Amsterdam, bron: gemeente Amsterdam

Vooral Amsterdam Noord krijgt in verhouding veel nieuwbouw – en dus veel nieuwe Noorderlingen – erbij. Er worden tienduizenden woningen bijgebouwd, alleen al in het Hamerkwartier zijn er 6500 gepland, er wordt druk gewerkt aan het Centrum Amsterdam Noord (CAN) (Gemeente Amsterdam, z.j.), in Overhoeks en de NDSM werf verrijzen diverse hoge torens, de laatste stukken in Elzenhagen worden volgebouwd, Buiksloterham krijgt steeds meer vorm. Met de komst van de Noord-Zuid metrolijn op 22 juli 2018 komt er bovendien een andere ontsluiting van het eens zo geïsoleerde stuk van de stad bij.

De laatste jaren lijkt er een soort stammenstrijd gaande tussen de oude en nieuwe Noorderlingen. Via (sociale) media worden expliciete verwensingen over en weer verspreid. Op Facebook, maar ook tijdens ons veldwerk werd de (ervaren) kloof tussen oude en nieuwe Noorderlingen, herhaaldelijk benoemd. Amsterdam Noord vertoont op diverse plekken kenmerken van een gentrificatie proces waarbij de toegenomen ongelijkheid tussen arm en rijk zichtbaarder wordt. We refereren hier slechts aan één treffend artikel uit het Parool van 23 maart 2017: De gentrificatie in Amsterdam is een proces van uitsluiting van stadsonderzoeker Cody Hochstenbach.

Thuisgevoel in Noord: het opbouwen van een gezamenlijke toekomst

Gevoelens van exclusie is een complex fenomeen, waarvan we inmiddels weten dat dit diepe gevoelens van ongelijke bejegening en afwijzing te weeg kan brengen (Bourdieu & Wacquant, 2004). Zo ook in Amsterdam Noord. De woningcorporaties willen scheefwonen door middel van verschillende maatregelen tegen gaan. Echter leidt dat volgens Huurgenoot, de huurderskoepel van Stadgenoot, “tot veel onrust omdat het veilige gevoel zeker te zijn van een huis, wordt weggenomen” (Het Parool, 7 juni 2018).  Keer op keer komt uit studies het belang van sociale en duurzame gebiedsontwikkeling naar voren. Sociale en duurzame plekken verhogen de kwaliteit van leven geeft bewoners een groter thuisgevoel, een van de kenmerken van sociale duurzaamheid. Het thuisgevoel is in Amsterdam Noord een zeer belangrijk iets. Het kenmerkt zich in Amsterdam Noord door het gegeven dat bewoners op elkaar letten en zorg dragen voor elkaar. Zoals verschillende bewoners aangaven: ‘het ons kent ons gevoel’, zodat je weet dat je ‘altijd bij elkaar terecht kan’.  Uit de interviews komt een gevoel van saamhorigheid bij de oude Noordelingen naar voren. Het besef dat bewoners elkaar nodig hebben en dat de sociale cohesie binnen enkele straten van een wijk zeer sterk is. Dit lijkt anders te zijn bij de nieuwe bewoners, de nieuwe Noordelingen (bewoners na 2007). Dat wordt ook gezegd door de bewoners: de nieuwe Noordelingen brengen een andere mentaliteit en sfeer mee. Daarnaast zorgt de gentrificatie ervoor dat de huur- en koopprijzen stijgen waardoor de oorspronkelijke (oude) Noordelingen hier niet meer aan kunnen voldoen. Een gevarieerd woningaanbod, een mix van huur- en koopwoningen, zou hiervoor een oplossing kunnen zijn. Echter blijkt uit gesprekken dat dit geen garantie voor succes is. De verschillende ontwikkelingen zorgen voor discrepanties in de sociale cohesie.

Kortom, Amsterdam Noord is een stadsdeel waar enorm veel verschillende dynamieken tegelijkertijd op elkaar inwerken, een stadsdeel waarbij het van belang is om een gezamenlijke toekomst op te bouwen.

2. Sociale duurzaamheid: kwaliteit van leven voor iedereen

Duurzaamheid bestaat volgens verschillende definities uit verschillende aspecten. Over het algemeen kan worden gezegd dat duurzaamheid bestaat uit economische, ecologische en sociale aspecten (Tirado, Morales & Lobato-Calleros, 2015).  Sinds de conferentie van de Verenigde Naties in Rio 2012, is sociale duurzaamheid steeds belangrijker geworden (UN, 2012). Duurzame steden en gemeenschappen vormen momenteel de elfde doelstelling van Unesco (https://en.unesco.org/sdgs).

Ook in dit onderzoek wordt de nadruk gelegd op het laatste aspect: het sociale aspect. Sociale duurzaamheid kent tevens meerdere definities en begrippen. Zo wordt het door Lehmann, Russi, Bala, Finkbeiner & Fullana-i-Palmer (in: Tirado, Morales & Lobato-Calleros (2015) omschreven als; ‘het huidige en toekomstige welzijn van generaties.’ In de sociale theorieën staan termen als sociale cohesie, stabiliteit en integratie centraal (Magee, Scerri & James, 2012). Echter zijn deze definities van toepassing op (nationale) maatschappijen en daardoor niet altijd van toepassing op (lokale) gemeenschappen of steden (Mori & Christodoulou in: Lu, Geng, Liu, Cote & Yu, 2017). Volgens Egan (in: Lu, Geng, Liu, Cote & Yu, 2017) zijn sociale cohesie en inclusiviteit onderdeel van een duurzame gemeenschap. Dit wordt bevestigd door Dizdaroglu (2015).

Volgens Hoornweg en Freire (in: Dizdaroglu, 2015) zijn duurzame steden, stedelijke gemeenschappen, die het welzijn van huidige en toekomstige generaties verbeteren door de integratie van economische, sociale en omgevingsvraagstukken. Een duurzame stad kenmerkt zich door een economische groei waarbij iedereen participeert en milieuverantwoordelijk is. Een wijze van denken die in het recentelijk populaire werk, Doughnut Economics (2017) van econome Kate Raworth, als centraal uitgangspunt wordt genomen. Ook volgens Egan (in: Lu, Geng, Liu, Cote en Yu, 2017) kenmerken duurzame gemeenschappen zich door een hoge mate van kwaliteit van leven na te streven waarbij effectief gebruik wordt gemaakt van natuurlijke bronnen, het milieu in acht wordt genomen, sociale cohesie en inclusiviteit worden nagestreefd en de economische groei wordt gestimuleerd. Om tot een succesvolle duurzame gemeenschap te komen dienen de tot de gemeenschap behorende huishoudens, een gevoel van groepsidentiteit (lidmaatschap) en sociale status hieraan te ontlenen (Grove in Dizdaroglu, 2015).

Het sociale welzijn wordt in de laatste twee decennia volgens Magee, Scerri & James (2012) steeds meer benaderd in termen van gemeenschapszin, kwaliteit van het leven, veiligheid, inclusiviteit en participatie in plaats van sociale structuren en regulatie. Zij spreken dan ook van duurzame gemeenschapszin, wanneer het gaat om lokale sociale duurzaamheid. In een lokale gemeenschap is er sprake van zowel gemeenschappelijke sociale duurzaamheid als het individuele welzijn.

De gemeenschappelijke duurzaamheid kan dus zowel vanuit sociologisch als psychologisch perspectief worden bekeken. Vanuit het sociale perspectief zegt Putnam (in: Magee, Scerri & James, 2012) dat ‘bindingskapitaal’ een vereiste is voor een gemeenschap om duurzaam te kunnen zijn. Volgens Riger en Lavrakas bestaat het ‘bindingskapitaal’ uit de mogelijkheid buren te kunnen identificeren, het aantal kinderen uit de buurt dat bekend is bij een persoon en het gevoel onderdeel te zijn van een buurt (in: McMillan & Chavis, 1986).

Binnen dit onderzoek wordt er gekeken naar het psychologisch perspectief; de individuele waarneming van de gemeenschap. Volgens McMillan en Chavis (in: Magee, Scerri & James, 2012) bestaat het psychologische perspectief uit lidmaatschap, invloed, integratie en tegemoetkoming van persoonlijke behoeften en een gedeelde emotionele connectie. Doolittle en MacDonald (in: McMillan en Chavis, 1986) onderscheiden de volgende vijf kenmerken vanuit het individuele perspectief:

  • informele interactie,
  • veiligheid,
  • pro-urbanisme (privacy),
  • voorkeur voor burencontact (interactie) en meningen
  • de wens tot participatie.

Bahrach en Zautra (in: McMillan & Chavis, 1986, p.8) noemen de zeven kenmerken die de mate van gemeenschap meten:

  • het thuis voelen binnen een gemeenschap,
  • tevredenheid,
  • overeenstemmende waarden en overtuigingen,
  • behoren tot de gemeenschap,
  • interesse in de gemeenschap,
  • belangrijk zijn voor de gemeenschap,
  • gehecht zijn aan de gemeenschap.

McMillan en Chavis (1986) onderscheiden na onderzoek zelf de volgende vier kenmerken:

  • lidmaatschap,
  • invloed,
  • integratie en tegemoetkoming aan behoefte
  • gedeelde emotionele connectie.

2.1           Bewoners aan het woord

Deze kenmerken komen terug in interviews die met bewoners en sleutelfiguren uit Amsterdam Noord. Zoals eerder in dit stuk aangegeven is de sociale cohesie voor de oude Noordeling zeer belangrijk. Dat wordt door bewoners aangegeven als “het praatje”. Op straat elkaar groeten, informeren hoe dat het met elkaar is, is zeer belangrijk. Ontmoetingsplaatsen zijn hiervoor een randvoorwaarde. De straat, buurthuizen, sportverenigingen, speelplaatsen/ plekken parkjes etc. worden dan ook door de bewoners gezien als essentiële plekken in de buurt. De toegankelijkheid, onderhoud en laagdrempeligheid van deze plekken is van groot belang. Een goed onderhouden park of een speelplaats van een school zonder omheining zijn hiervan concrete voorbeelden die door de bewoners genoemd worden. De locatie van de ontmoetingsplekken speelt een grote rol binnen de sociale cohesie in Amsterdam Noord. Dit wordt door verschillende bewoners en sleutelfiguren onderstreept. Om mensen met elkaar in contact te laten komen is een vertrouwde locatie een randvoorwaarde. De band tussen de bewoners en de locatie is zeer sterk wat maakt dat de sociale functie van een wijk zeer sterk plaatsgebonden is. Deze band bestaat dus zowel uit de lokale bewoners, als specifieke plekken in de wijk. De nieuwe Noordelingen hebben deze link met de andere bewoners en deze plaatsen niet.

Uit het onderzoek van Doolittle en MacDonald (in: McMillan en Chavis, 1986) kwam tevens naar voren dat de verschillende kenmerken gerelateerd aan elkaar waren. Zo daalde de behoefte aan privacy wanneer de mate van interactie groter werd. Het gevoel van veiligheid en de mate van interactie waren gerelateerd aan elkaar en als laatste kwam naar voren wanneer het geval van veiligheid groter werd daalde de behoefte aan privacy. Uit het onderzoek van Glynn kwam eenzelfde relatie naar voren: het gemeenschapsgevoel en de mogelijkheid om binnen een gemeenschap te functioneren waren aan elkaar gerelateerd (in: McMillan en Chavis, 1986).

Uit deze bevindingen blijkt dat een gemeenschap meer is dan een optelsom; het kan leiden tot een inclusieve gemeenschap. Dit wordt onderschreven door Gerometta, Häussermann & Longo (2005) een burgelijke gemeenschap bij kan dragen aan meer samenhang binnen een gemeenschap of een stad. Het effect van samenhang kan echter ook een omgekeerd zijn: door het sociale ‘bindingskapitaal’ kan de mobiliteit van een gemeenschap ook collectief sociaal naar beneden gaan (Putnam; Kearns & Parkinson; en Moulaert & Nussbaumer in: Gerometta, Häussermann & Longo, 2005). Het kan worden gezegd dat wanneer mensen toegewijd en positief zijn, zij een buurt als een kleine gemeenschap beschouwen (Ahlbrant en Cunningham in: McMillan en Chavis, 1986). Ook bij de oude Noordelingen is dat het geval.

2.2           Gemeenschapsgevoel in Noord

Kortom: er kan worden gezegd dat sociale duurzaamheid kan worden gezien als het gevoel onderdeel te zijn van een groep, zowel van het individuele als het sociale (groeps)perspectief. Dit wordt onderschreven door Van Winkle en Woosnam (2014) die aangeven dat het gemeenschapsgevoel; “de ervaring en hun perceptie daarop van mensen binnen een groep is”. Om het gemeenschapgevoel te kunnen doorgronden is inzicht in de ontwikkelingen, participatie etc. nodig. Het delen van een collectieve ervaring, bijvoorbeeld door een evenement, kan bijdragen aan het gemeenschapgevoel (Getz in: Van Winkle en Woosnam, 2014). Dit kan een voorbeeld zijn wat McMillan en Chavis (1986) een “gedeelde emotionele connectie” noemen. Volgens Derret (in: Van Winkle en Woosnam, 2014) kunnen festivals aan het gemeenschapsgevoel bijdragen door een gevoel van erbij horen, ondersteuning, participatie, veiligheid en zelfstandigheid. Hierdoor kan een evenement het gemeenschapsgevoel en het gevoel wat bij een plaats of plek hoort, beïnvloeden. Zo ook de beleving van Amsterdam Noord bij de oude bewoners. Dit wordt door diverse interviews bevestigd: door mensen te betrekken en uit te nodigen bij evenementen wordt betrokkenheid en verbinding gecreëerd. Dit betreft niet alleen de programmering van een evenement, maar ook door bewoners te betrekken bij de opzet van een evenement (cocreatie).

3. Place making

Aan welke ontwerpcriteria voldoen aangename plekken in de stad?

Zoals hierboven genoemd kunnen festivals of evenementen het gevoel van een plaats beïnvloeden. Er zijn echter nog meer criteria die het gevoel van een plek kunnen bepalen. Binnen de wereld van ‘place making’ zijn diverse ontwerpcriteria geformuleerd waar een aangename plek, plein of gebied aan moet voldoen. Een plek waar mensen van diverse achtergronden zich thuis voelen, een plek die niet overkomt als slechts exclusief voor anderen, maar juist toegankelijk voor allen.

Dit onderzoek is geïnspireerd door het werk van de non-profit organisatie Project for Public Spaces (PPS) en hun uitgangspunten die zijn beschreven in hun publicatie uit 2016: Place making, what if we built our cities around places?

Op grond van hun rijke ervaring heeft PPS de volgende vier kernattributen beschreven waaraan de ideale (semi) openbare ruimte moet voldoen:

  1. De plek is toegankelijk en goed verbonden met andere belangrijke plekken in de buurt.
  2. De plek is comfortabel en heeft een goede uitstraling
  3. De plek trekt mensen aan die actief participeren in de activiteiten die worden aangeboden.
  4. Het heeft een open een sociaal karakter, waardoor mensen keer op keer terug willen komen.

Deze vier kernattributen komen samen in onderstaand model:

Afbeelding 2. (www.pps.org)

Kortom: in de bovenstaande bevindingen komt duidelijk naar voren dat, vanuit het perspectief van de oude bewoners van Amsterdam Noord, de verschillende kernkwaliteiten essentieel zijn voor een succesvolle open ruimte in Amsterdam Noord. Verschillende abstracte waarden en normen zoals het praatje, vriendelijkheid, verbondenheid, toegankelijkheid, groen en schoon, worden met grote regelmaat genoemd als belangrijke elementen van de buurt.


Meer Interactie Tussen bewoners en toerist Jordaan?

Druk in de Jordaan maar de toerist is welkom

Meer Interactie tussen bewoners en Toerist Jordaan?

Er gaat geen dag voorbij of het Parool of AT5 besteden aandacht aan de overlast die toeristen in Amsterdam veroorzaken. Zijn alle Amsterdammers de toeristen meer dan beu, of is het beeld genuanceerder? De mooie wijk de Jordaan werd onderzocht, hoe bezoekers en bewoners elkaar ontmoeten.

De onderzoeksgroep CreativeBusinessvan Hogeschool Inholland doet alsinds2008regelmatig onderzoek naar de beleving

onder de bevolking ten aanzien van toeristen.In2017heefteengroep tweedejaarsLeisureManagement studenten onderzoek gedaan naar de druktebeleving onder de bewoners in de Jordaan. Dit keer is ingezoomd op de gedragscomponent: de ontmoeting. In welke mate is er sprake van interactie tussen bewoners en bezoekers van de Jordaan en hoe kijken de bewoners hiernaar? Dit onderzoek richt zich op de bewoners. Met 108 geslaagde enquêtes zijn de uitkomsten vooral indicatief.

De houding ten opzichte van toeristen komt overeen met eerder onderzoek1. Ondanks de toenemende drukte is de overgrote meerderheid tevreden en trots op de Jordaan. Ruim 75% van de bewoners vindt het (zeer) druk in de Jordaan, maar 93% is (zeer) tevreden met de woonomgeving. Meer dan 90% is trots op de Jordaan. Toeristen worden het meest genoemd als bron van overlast, maar meer dan 80% van de ondervraagden helpt regelmatig of altijd toeristen met de weg wijzen. Slechts 20% geeft aan toeristen

altijd of regelmatig te negeren. Ruim 50% maakt weleens een praatje met toeristen.

Ondanks de
toenemende drukte
is de overgrote
meerderheid
tevreden en trots
op de Jordaan

Ruim 50% maakt weleens een praatje met toeristen. Ruim 20% doet regelmatig een drankje of gaat een avondje uit. Het zijn vooral de twintigers en vijftigers die dit regelmatig doen (rond de 30%). Twintigers nemen toeristen ook vaker mee naar huis (30% tegen gemiddeld 15%).

Bewoner staat open voor interactie met toerist

Er is wel degelijk sprake van interactie tussen de bewoners en toeristen.

Ruim 1/3 geeft aan zelfs meer interactie te willen,2/3wilminder.Vergelijkenwe de groep die meer interactie wil met de groep die minder wil dan zijn er geen statistische relevante verschillen in termen van leeftijd, opleiding, gezinssamenstellingenaantaljaren dat men in de Jordaan woont. In eerder onderzoek3 hebben wij gebruik gemaakt van het Tricomponenten Attitude Model (Solomon 2013), ook wel het ABC-model genoemd:

• Affect (Gevoel): Het individu associeert en beoordeelt het object en diens attributen met bepaalde gevoelens, stemmingen en emoties.

• Behaviour (Gedrag): Hoe waarschijnlijk is het dat het individu bepaalde gedragsintenties heeft in relatie tot het object/subject of diens daadwerkelijke gedrag.

• Cognition (Denken/Kennis): Wat denken en weten individuen over een bepaald object/subject.

Doel van de interactie met toeristen

Ik wil mij amuseren 45%
Ik wil nieuwe mensen leren kennen 25%
Ik wil bijdragen aan de sociale 24%
Ik wil mijn zakelijk netwerk verbreden 24%
Ik wil van de tourist leren 24%
Ik wil de toerist iets leren 20%

Dit onderzoek bevestigt het verband tussen gevoel, denken en gedrag. Respondenten die meer interactie (gedrag) willen, denken positiever en hebben positievere gevoelens over toeristen. Kijken we naar het doel van de interactie dan gaat het vooral om amusement (45%). Nieuwe mensen leren kennen, sociale cohesie, zakelijk netwerk uitbreiden en de toerist iets leren, speelt bij ruim 20% een rol.

Dit onderzoek bevestigt het verband tussen gevoel, denken en gedrag

Tot slot is gevraagd welke partijen
een rol zouden kunnen spelen in het verbeteren van de interactie. 75%
ziet vooral een rol voor de gemeente, gevolgd door de marketingorganisatie van de gemeente Amsterdam: I Amsterdam (35%). Rond de 20% ziet een rol voor lokale bedrijven, de politie en bars en clubs. Samengevat mogen we concluderen dat de bewoners van de Jordaan ondanks de toegenomen drukte zeer tevreden zijn met hun woonomgeving. Ruim de helft ondervindt regelmatig overlast van toeristen, maar dit leidt slechts in 20% van de gevallen tot negeren. Ruim 80%

heeft regelmatig contact met toeristen. Een op de drie wil zelfs meer interactie, vooral in de vorm van amusement
en sociaal contact. Zij zien vooral een rol voor de gemeente Amsterdam

en Amsterdam Marketing om die interactie te stimuleren.

Ideeën overgedragen

De onderzoekers denken dat de toeristen steeds vaker op zoek zijn
naar authentieke ervaringen, zij willen de lokale sfeer ervaren: ‘live like a
local’. Dit onderzoek toont aan dat er een groep bewoners is die hiervoor openstaat. De vraag is hoe dat in de praktijk gerealiseerd kan worden.
Hoe creëer je hyper lokale waarde? Bij waardecreatie gaat het om uitwisseling van zaken als huis (Airbnb), auto, tuin, maar ook immateriële zaken als kennis, passies, vaardigheden en netwerken. Studenten zijn met interessante oplossingen gekomen van apps met lokale routes tot concepten waarmee runners of koffieliefhebbers elkaar kunnen ontmoeten en kennis en passies uitwisselen. De resultaten zijn voorgelegd aan Amsterdam Marketing en het projectteam Stad in Balans van de Gemeente Amsterdam. Het leek er even op dat Amsterdam de toeristen wilde weren. Ons onderzoek toont aan dat dit in ieder geval niet voor alle bewoners geldt. Een behoorlijke groep ziet de meerwaarde van toeristen. Zelfs op het

“Ellende door rolkoffers stagneert”

gebied van de rolkoffers en Airbnb is recent een kentering te zien. Het Parool van 29 september 2017 kopt: “Ellende door rolkoffers stagneert”2. Bewoners uit de Haarlemmerbuurt zien de overlast door illegale verhuur in hun buurt,

door een strikt handhavingsbeleid van de gemeente, zelfs iets teruglopen. Het zal waarschijnlijk nooit rustig worden in Amsterdam, maar met de nodige maatregelen en actie kunnen bewoners en bezoekers wel degelijk gezamenlijk van deze mooie stad blijven genieten.

Meer weten over onze ontwikkelde concepten op lokaal niveau en ons onderzoek? Mail dan naar: roos. gerritsma@inholland.nl en jacques. vork@inholland.nl.

Studenten Marieke van Kessel, Jimmie Drent, Nordin Badouri, Shanna de Smit, Ronja Philips en Seda Demirel voerden het onderzoek uit. 􏰂

1. O.a.: Gerritsma, R. (1999). Aantrekkelijk Amsterdam. Master Thesis, Universiteit van Amsterdam. Hoffschulte, C. (2015) Binnenstad in transitie. (Mas- ter), Hogeschool van Amsterdam. Gerritsma, R en Vork, JTJ (2016) Ik irriteer me af en toe, maar vind het ook wel weer leuk. Vrijetijdstudies jaargang 34 nummer 2.

2. Parool, 29 september 2017 voorpagina en pagina


Help, de stad verzuipt in de toeristen (en zo lossen we dat op)

Help, de stad verzuipt in de toeristen (en zo lossen we dat op)

Eindelijk vakantie. Lekker weg, uitrusten, op avontuur. Denkt u ook even aan het veelkoppige monster dat massatoerisme is?

Toeristen, dat zijn de anderen. Dat zijn de mensen die ons voor de voeten lopen op een Zuid-Europese boulevard, de luidruchtige landgenoten op ‘uw strand’ en de fotograferende onnozelaars midden op het fietspad in de stad.

U daarentegen bent anders. U gaat wel op vakantie, maar een massatoerist?

Misschien is dat wel het probleem. Net als met het milieu, vlees eten of de plasticsoep. In je eentje ben je een druppel, maar met 7 miljard druppels staat alles onder water.

Vrijwel iedereen in het rijkere deel van de wereld is weleens toerist. 2017 telde 1,3 miljard internationale toeristische trips, in 2009 waren dat er nog 880 miljoen. Dertien miljoen Nederlanders gingen vorig jaar minstens één keer op vakantie.  Was Spanje in 1975 nog een exotische bestemming, anno 2018 pakken we met het grootste gemak het vliegtuig naar Bali of Thailand. Of naar Kopenhagen – voor een weekend.

Wie alleen naar de economische cijfers kijkt, kan concluderen dat we hier te maken hebben met een bloeiende sector. Met 7 biljoen jaarlijks zorgt de totale reissector voor 10 procent van het wereldwijde bbp en voorziet een op de tien aardbewoners van zijn levensonderhoud. 23 procent van de totale reisuitgaven betreft zakenreizen, de rest is allemaal toerisme.

Helaas is de werkelijkheid zelden eendimensionaal. Al die honderden miljoenen vakanties en vakantiegangers hebben ook vernietigende gevolgen voor de planeet. Denk aan de CO2-uitstoot van de vliegtuigen die we nemen, de hotelketens en wegen die kust- en natuurgebieden overnemen, uitwassen als (kinder-)sekstoerisme en populaire bestemmingen die bijna letterlijk platgetrapt worden door toeristenvoeten.

Zo ging het populaire Filipijnse eiland Boracay (10 vierkante kilometer, 2 miljoen bezoekers per jaar) in april tijdelijk op slot. Om puin te ruimen. En liepen de gemoederen afgelopen zomer hoog op in Europese steden als BarcelonaSan Sebastian en Venetië. Basta, riepen de Venetianen ‘Venezia non è un albergo’, het is hier geen hotel! Tourists go home.

Het woord overtoerisme valt steeds vaker. Ook onder wetenschappers als sociaal antropoloog Claudio Milano, werkzaam aan de Ostelea hogeschool voor toerisme in Barcelona. ‘Het is een paraplubegrip voor alle gevolgen van overexploitatie van een plek. Dat kan een stad zijn, maar ook een strandzone met twintigduizend inwoners die ineens driehonderdduizend bezoekers krijgt.’

Venetië is de uitvergrote versie van het veelkoppig monster dat massatoerisme is: dalende inwonersaantallen, exorbitante huizenprijzen, vervuiling, een verstikkende drukte en middenstanders die verdreven worden door toeristenwinkels vol met in China gemaakte souvenirs. Het inwonersaantal (nu 54 duizend) loopt elk jaar terug, terwijl er meer toeristen bijkomen. Milano: ‘Jaarlijks verblijven 30 miljoen mensen in de stad, en dan zijn de dagjesbezoekers van de honderden cruiseschepen die de stad jaarlijks aandoen nog niet eens meegerekend.’

VAKER, KORTER EN VERDER

In 2017 werden wereldwijd 5 miljard binnenlandse en 1,3 miljard internationale toeristische trips gemaakt, volgens de UNWTO (de toerisme-organisatie van de VN). Meest bezocht, met stip op 1: Europa, 671 miljoen bezoekers. Gevolgd door Azië (met Australië) en Latijns-Amerika. De meeste bezoekers aan steden,  en die ook het meest uitgeven, komen uit China.

Dat geldt overigens niet voor bezoekers aan Nederland. Onze toeristen komen met name uit Duitsland, Groot-Brittannië, België en de VS.

Inzoomend op ons eigen toeristische gedrag zijn dit de feiten: we gaan vaker, korter en verder. Een verklaring hiervoor? We zijn meer gericht op beleving dan spullen (de millennials). In 2017 ondernamen we met zijn allen 36,7 miljoen vakanties, 19 miljoen daarvan gingen naar het buitenland. Driekwart van de buitenlandse trips waren kort en vonden plaats binnen Europa.

De massatoerist is fysiek en visueel vervuilend. Waar de toerist verandert in massatoerist transformeert het landschap. Er ontstaat een monocultuur gericht op het gerief van de passerende massa.

De Amerikaanse journalist Elizabeth Becker omschrijft overtoerisme als ‘een etentje organiseren voor tien vrienden en tweeduizend man voor je deur aantreffen’. Becker, inmiddels met pensioen, werkte jarenlang als correspondent voor The New York Times. Ze reisde veel en woonde lange tijd in Cambodja, dat ze na de Khmer-dictatuur in razend tempo zag verworden tot toeristische massahel.

‘Het is een klassiek voorbeeld van hoe het niet moet. De bevolking heeft amper profijt van de gigantische instroom aan toeristen. Mensen zijn uit hun huizen gejaagd, hele dorpen moesten plaatsmaken voor Chinese gokpaleizen en bordelen. De tempels van Angkor worden platgelopen: alles voor de inkomsten’, zegt Becker, ‘en dan doet Cambodja het nog beter dan sommige buurlanden, kun je nagaan.’ In 2014 schreef ze het onderzoeksjournalistieke boek Overbooked: The Exploding Business of Travel and Tourism, dat vier jaar later nog even actueel en urgent is.

Door de onvrede in veel Europese steden, waaronder de ‘rolkofferterreur’ in Amsterdam, lijkt de aandacht voor de massatoeristische kaalslag een nieuw probleem, maar dat is het niet, zeggen wetenschappers. Alleen nu het onze Europese binnensteden heeft bereikt is het ineens ‘ons probleem’.

Dit subjectieve sentiment heeft ook een voordeel. Door de publieke onrust en de media-aandacht krijgen wetenschappers die eerder moesten bedelen ineens wel geld voor toerisme-onderzoek. Ko Koens, hoofddocent en onderzoeker duurzaam stedelijk toerisme aan de NHTV hogeschool Breda: ‘Overtoerisme is een trend. Dit jaar alleen al verschijnen er vier wetenschappelijke tijdschriften die een heel themanummer wijden aan overtourism.’

Visie

Een tweede gevolg, volgens de deskundigen, is dat overheden die zich decennialang richtten op het adagium ‘hoe meer, hoe beter’ eindelijk lijken in te zien dat iets meer visie geen overbodige luxe is.

Maar is het wel de overheid die hier iets kan betekenen? Wie reguleert in Nederland eigenlijk het toerisme? Het ministerie van toerisme? Nederland heeft dat niet. Er zijn wel veel grote spelers: luchtvaartmaatschappijen, hotelconsortia, Airbnb.

‘Er is geen machtsconcentratie zoals in sectoren, waar je de beslissingsbevoegden in een vergaderzaaltje kunt samenbrengen. Je kunt een heel voetbalstadion vullen met mensen die een rol spelen in het toeristenwezen’, zegt de Britse Anna Pollock, wetenschapper en oprichter van de beweging Conscious Travel, in de aan massatoerisme gewijde aflevering van het tv-programma Tegenlicht, die begin mei werd uitgezonden. Pollock schetst hierin het beeld van de toerist als Titanic. ‘De vraag is niet of we die ijsschots gaan raken, maar wanneer.’

Desalniettemin zijn er, zeggen diverse deskundigen, een aantal mogelijke oplossingen.

Oplossing 1: Zet een rem op Airbnb en betrek bewoners

Een belangrijk deelprobleem is de woningmarkt, zegt Koens. ‘Airbnb is daarin een essentiële speler. Wat ooit begon als deelplatform is een keihard commercieel bedrijf geworden dat nauwelijks belasting betaalt. Je ziet dat gemeenten worstelen met ontmoediging en regulering, maar de stappen die ze zetten, zijn een goed begin. Barcelona verbiedt het nu op sommige plekken, Amsterdam kiest voor maximaal 60 nachten. Al is het handhaven moeilijk.’

Volgens Roos Gerritsma begint het allemaal met de vraag: van wie is de stad? Toen Gerritsma, onderzoeker en docent aan het urban leisure and tourism lab van Hogeschool Inholland, twintig jaar geleden als stadssocioloog begon, ging het bij massatoerisme over tropische bestemmingen, niet over steden. ‘Steden waren tot de vroege jaren negentig plekken waar je woonde, daar ging je niet voor je lol naartoe.’

Ze ziet een beweging ontstaan in Europese steden van bewoners, activisten, kleine middenstanders en academici die zeggen: ‘Het moet anders, er moet een einde komen aan de lelijke neoliberale groei.’ Ze haalt het boek De donuteconomie aan, waarin de Britse econoom Kate Raworth pleit voor een circulaire economie: niet groter worden dan we al zijn, en gericht op duurzaamheid.

Onze tijd eist het, vindt Gerritsma, dat is geen idealisme, maar realisme. ‘In de academische wereld voelt iedereen de urgentie.’ Helaas ontbreekt het bij gemeentebestuurders vaak aan een langetermijnvisie, zegt ze. ‘Je moet geen vier maar veertig jaar in de toekomst kijken en zeggen: zo willen wij het hebben. Anders blijf je ongeleid puinruimen: het is te druk, er is te veel afval.’

Voor Gerritsma en haar studenten is Amsterdam-Noord, waar de opleiding van Gerritsma resideert en ‘een gierend proces van gentrificatie gaande is’, de ideale proeftuin voor het toerisme van de toekomst. Een van de projecten waarbij ze betrokken zijn: Fairbnb. Zie het als een écht idealistische Airbnb, Airbnb als coöperatie. ‘Iedereen mag meedoen, ook als je geen koophuis hebt. In dat geval kun je een dienst aanbieden: een leenfiets, een rondleiding.’ En het belangrijkste: een deel van de opbrengst gaat in een spaarpotje voor de wijk. Het project start dit najaar, in Amsterdam-Noord én in Venetië.

Niet dat dit direct een halt zal toeroepen aan het massatoerisme, dat snapt  Gerritsma ook wel. Maar je kunt er wel de grote ergernis die Airbnb opwekt mee reduceren. ‘Het gaat om de filosofie erachter: betrek de bewoner, maak mensen verantwoordelijk voor hun eigen wijk.’ En laat ze ervaren dat toerisme ook iets oplevert.

Oplossing 2: Minder vliegen, maak vliegen veel duurder

Toerisme is verantwoordelijk voor 5 à 6 procent van alle CO2-uitstoot wereldwijd – de helft daarvan wordt door vliegen veroorzaakt. Voor Nederland geldt: 20 procent van de vakanties is een vliegvakantie, maar deze reizen veroorzaken 41 procent van de totale vakantie-uitstoot.

Kan dat nog wel? Volgens Paul Peeters, docent en lector duurzaam toerisme en verkeer aan de NHTV hogeschool van Breda, zeker niet. Zijn promotie afgelopen november aan de TU Delft lijkt zowaar een mild maatschappelijk debat op gang te hebben gebracht.

Peeters ontdekte dat de klimaatdoelen van Parijs (maximaal 2 graden Celsius broeikasopwarming van de aarde) niet gehaald kunnen worden als we de luchtvaart niet drastisch aan banden leggen: ‘Ik was al elf jaar met dit onderzoek bezig en de tussentijdse resultaten die ik meldde kregen nooit veel aandacht, blijkbaar is de tijd nu pas rijp.’

Willen we de afgesproken klimaatdoelen halen dan zit er maar één ding op volgens Peeters: minder vliegen. ‘We moeten wereldwijd terug naar het niveau van 2005, voor Schiphol komt dat ongeveer neer op het niveau van 1995, rond de 300 duizend vluchten per jaar’, zegt Peeters.

Als het aan Peeters ligt, die zelf vrijwel uitsluitend per trein reist, ‘ook als het drie dagen duurt om op een conferentie in Noorwegen aan te komen’, moeten we via internationaal beleid een maximum aantal vluchten per land en luchthaven afspreken. En CO2-uitstoot moet veel zwaarder belast worden. ‘Met een ticketprijs die misschien wel drie tot vijf keer zo hoog is als nu.’

Zaken als compensatie (bomen planten), biobrandstoffen of technologische ontwikkelingen doet Peeters af als ‘druppeltjes op een gloeiende plaat’. ‘Daarmee gaan we het niet redden.’

Of duurdere tickets van vliegen geen elite-aangelegenheid zal maken? Dat is het volgens Peeters al. Nu vliegt slechts één op de vier Nederlanders elk jaar. Wereldwijd is het minder dan 10 procent. ‘Ik ben reëel. Als we doorgroeien op deze schaal vliegen we rond het jaar 2100 negen keer zo vaak als nu. Dat kan gewoon niet. Hoe ziet een negen keer groter Schiphol eruit? Dat is ondenkbaar.’

VERMIJD SCHIPHOLDRUKTE EN HELP HET KLIMAAT MET DEZE ELF BIJZONDERE TREINREIZEN

Van Polen tot de poolcirkel, waarom niet met de trein? Met de trein kom je ook op bijzondere plekken, en het is nog veel beter voor het milieu ook.

Oplossing 3: Kijk af bij de Wadden

Quota en spreiden, het zijn woorden die telkens vallen, maar niemand spreekt zich onomwonden uit voor spreiding, omdat het synoniem is voor het doorschuiven van je eigen problemen. ‘Voor je het weet is Rotterdam een tweede Amsterdam’ geworden, zegt Milano.

Internationaal gelden de Waddeneilanden als lichtend voorbeeld van toeristenplanning. Van der Duim: ‘Op Texel is al in de jaren zeventig nagedacht over de vraag: wat willen we zelf?’ En dus telt nu elk Waddeneiland een afgesproken aantal bedden – en kan het in het hoogseizoen dus gewoon ‘vol’ zijn.

Elke bestemming moet een eigen recept opstellen. Dat vergt strijd, maar dat is niet erg, zegt de hoogleraar. ‘Neem Costa Rica, daar is een continue strijd gaande tussen economische groei en het ecotoerisme. Dankzij die balans lijkt niet heel Costa Rica op een Mexicaans strand.’

Elke plek moet zijn eigen strijd tussen kwantiteit en kwaliteit beslechten, zegt Van der Duim. In dat opzicht is er nog een voorbeeld waarvan we volgens Van der Duim kunnen leren: de Spaanse costa’s. Van die regio’s kunnen we vooral leren hoe het níét moet. ‘Zo’n inwisselbare toeristische monocultuur van matige kwaliteit is op termijn niet rendabel. Dat tij lijkt nu wat te keren.’

Oplossing 4: Haal ‘betere’ toeristen binnen

We moeten goed nadenken welke vormen van toerisme we willen, zeggen de deskundigen eensgezind. Onderzoeksjournalist Becker wijst op steden in Europa die de komst van cruiseschepen aan banden leggen (Dubrovnik, Bordeaux). ‘Er zijn weinig vernietigendere vormen van toerisme.’

Allereerst moet je als plek weten wie er naar je toe komen, zegt Ko Koens. In Amsterdam bijvoorbeeld komt de helft van de dagelijkse bezoekers uit Nederland. ‘Het cliché van de Chinese toerist uit een touringcar? Dat is slechts een kleine groep.’

Niemand wil zuipende en kotsende Britten. Amsterdam heeft liever de oudere cultuurtoerist, Brugge vergrijst en wil juist jonge mensen. Koens: ‘In Denemarken proberen ze toeristen te verdelen door categorieën en bijbehorende plekken aan te wijzen: sportief, historisch, jong en trendy. In Vlaanderen werken de vijf cultuursteden samen.’

Stedelijk toerisme – met de reeds bestaande bebouwing en infrastructuur – is volgens Koens relatief duurzaam, als je het vergelijkt met een klein eiland als het Filipijnse Boracay. ‘Wel moeten steden investeren in langer blijvende bezoekers; dat verlaagt de relatieve CO2-uitstoot.’

Oplossing 5: Geef de toerist niet overal de schuld van

Fijn hoor zo’n gedeelde vijand, al is het wat verwarrend als je zelf ineens toerist bent. Nadere bestudering levert soms verrassende inzichten op. Koens: ‘Geluidsoverlast van bootjes op de Amsterdamse grachten? Dat blijken vaak Amsterdammers met vrienden te zijn. Drukte op de straten? Wat denk je van al die busjes die onze online bestelde producten komen brengen?’

Volkskrant link:

https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/help-de-stad-verzuipt-in-de-toeristen-en-zo-lossen-we-dat-op-~b42a1c43/

 


Busy Problems

Students from the Cultural Anthropology and Development Studies (CADES) of the Faculty of Social Science of the Katholieke Universiteit Leuven have studied the busy problems in Amsterdam for 7 months. In doing so, they used research and the network of the Research Group Creative Business. Jacques Vork was present at their final presentation on 27 March 2018.
Curious about the results? Look at: https://sites.google.com/view/amisterdam/home

 

In the bibliography included:Gerritsma, R., & Vork, J. (2017). Amsterdam residents and their attitude towards tourists and tourismPhilosophy, Communication, 25, 85-98.